Previous    Next

De schaar valt luid kletterend op de vloer en het weefsel van zachte stemgeluiden wordt aan flarden gescheurd. Het is voor het eerst dat dit hem overkomt sinds hij mij als assistente heeft aangenomen. Leon bukt zich om het gereedschap op te rapen en draait zijn hoofd in mijn richting. Als hij mijn blik ontmoet, kijkt hij weg. Op zijn gladde schedel glinsteren kleine druppeltjes. De kaalheid benadrukt de scherpte van zijn gezicht en de langwerpige vorm van zijn hoofd. Ik vind hem aantrekkelijk, ook al is hij bijna vijftien jaar ouder.

‘Ik heb een gruwelijke hekel aan haar’, zei hij aan het begin van het sollicitatiegesprek. Even dacht ik dat hij het over zijn vrouw had. ‘Haren zijn niets meer dan een uitscheiding van de daartoe voorbestemde cellen. Een mens heeft er toevallig op een paar plekken nogal veel van, maar we hebben ze nergens voor nodig. Ooit komt er een tijd dat we onbehaard zullen zijn, maar intussen weten we niet wat me ermee moeten. Om toch de indruk te wekken dat het allemaal een betekenis heeft, maken we er een ornament van. Een belachelijke versiering’. Voorzichtig opperde ik dat het kappers het recht gaf op hun bestaan, maar hij was niet onder de indruk van dat argument. Een kapper die zijn vak zo relativeert was ik nog nooit tegengekomen. Hier wilde graag ik aangenomen worden. Ik had schoon genoeg van alle leeghoofden waarmee ik tot nu toe moest werken. Deze man kon me veel meer leren dan knippen en scheren. ‘Waarom bent u dan nog steeds kapper?', vroeg ik. 'Omdat het knippen van haren even zinloos is als elke andere menselijke bezigheid', antwoordde hij, 'ik zou ook niet weten wat ik anders moest, het is het enige waar ik goed in ben.’ Het leek mij geen vrolijke man om mee te werken, maar hij intrigeerde me. Tijdens het gesprek lette ik op zijn handen. Lange slanke vingers met verzorgde nagels. Ik val op zulke handen. Ze lagen rustig op het tafelblad en ik voelde hoe die rust bezit nam van mij. Het moest prettig zijn door zulke handen te worden betast. De loomheid die zich door je lichaam verspreidt als de vingers door je haren bewegen. De onbedwingbare neiging je ogen te sluiten en weg te dromen. Op de grens tussen waken en slapen vult het geluid van de schaar dan de steeds ijler wordende ruimte in je hoofd. ‘Je moet de filosofie van deze kapsalon onderschrijven en je moet leren werken volgens mijn uitgangspunten’. Het stond ook al in de advertentie en het had mijn nieuwsgierigheid gewekt. ‘Kunt u mij iets vertellen over die filosofie?’, vroeg ik. ‘Dat kan ik niet in een paar woorden uitleggen. Je moet je er in verdiepen en ik zal je gids zijn. Het word je vanzelf wel duidelijk. Ik kan je in ieder geval vertellen dat het iets anders is dan het leveren van een fraai kapsel. Het moet meer zijn dan vorm en kleur. Het kapsel moet het karakter van de eigenaar laten zien. Schoonheid is niet genoeg, de ziel moet zichtbaar zijn. Het vraagt ervaring en mensenkennis om dat te kunnen. Ik zal het je leren.’ ‘Wat vinden uw klanten ervan?', vroeg ik hem vervolgens ‘Het zal je verwonderen, maar ik heb veel tevreden klanten. Mensen zijn ijdel en zelfingenomen, maar ondanks dat beseffen de meesten niet dat ze zich bloot geven in hun kapsel. Zelden hoef ik iemand te overtuigen. Ze laten zich bijna alles welgevallen.'

Ruim vier weken ben ik nu aan het werk onder zijn leiding. Eerst liet hij mij alleen maar toekijken. Daarna volgden kleine opdrachten. Na een week mocht ik voor het eerst een suggestie doen. Kennelijk voelde ik goed aan wat hij wilde, want hij knikte goedkeurend. Door goed naar de kapsels te kijken die onder zijn handen vorm kregen, begreep ik steeds beter wat hij bedoelde. Terwijl ik steeds meer leerde, groeide de ontevredenheid over mijn eigen kapsel. Ik vermeed het om mezelf in de spiegel te bekijken. Het moest anders, maar ik kon niet bedenken hoe. Een week geleden begreep ik dat maar één oplossing mogelijk was. Zijn oplossing. Vanmorgen heb ik het hem durven vragen. ‘Leon, ik wil mijn uiterlijk veranderen. Zou je me na sluitingstijd kaal willen scheren?’ Hij antwoordde niet meteen. Zijn blik bleef een tijdje op mijn lange haren gericht. ‘Weet je zeker dat je dat wilt?’ ‘Heel zeker. Ik zal me beter in het kapsel van een ander kunnen verdiepen als ik zelf bevrijd ben van mijn haren.’ ‘Ik begrijp het, we zullen zien’, was zijn antwoord. Daardoor aangemoedigd ging ik verder. ‘Je moet me helemaal scheren Leon, ik wil al het haar op mijn lichaam kwijt.’ Hij verslikte zich in de koffie. Rood aangelopen van het hoesten liep hij toen de salon in waar de eerste klant was gearriveerd. Hij heeft me geen antwoord gegeven. Hopelijk doet hij het. Ik verheug me op het genot van een volkomen glad lijf. Het moment waarop hij al mijn haar met de zachte bezem in het gat in de vloer zal vegen, zal me bijblijven. Als een schildpad die zich heeft bevrijd van zijn huis, zo zal ik me voelen. Maagdelijk en zacht als een pasgeborene.

Dordrecht, 2001. Gepubliceerd in Tortuca, tijdschrift voor literatuur en beeldende kunst, nummer 12.